Kringloop. Een woord dat we steeds vaker horen. Want we moeten op zoek naar nieuwe mogelijkheden om ons afval te hergebruiken en onnodige verspilling te voorkomen. Volgens minister Carola Schouten liggen er ook binnen de landbouw grote kansen. Een nieuw idee? In tegendeel. Volgens Albert Lanting, voorzitter van Vereniging voor Drentse Boermarken, is dat in Drenthe al eeuwenlang het uitgangspunt. Want: ‘zonder kringloop geen levensvatbare dorpen’.

Albert Lanting is inmiddels 75 jaar oud. Was jarenlang voorzitter van LTO Noord, statenlid in Drenthe. Vanuit zijn huis naast de A28 vertelt hij, aan een tafel met dik tafelkleed en twee kopjes koffie met een plakje cake, vol overgave over de cultuurhistorie van de Boermarken.

Albert vertelt over de Drentse gronden die in lang vervlogen tijden in collectief bezit waren van boerengemeenschappen of Boermarke. Vele dorpjes ontstonden op de hoger gelegen delen ‘op het zand’, bij beken en rivieren. Waar koeien graasden op het gras in de beekdalen. En waar peulvruchten groeien op de hoger gelegen ‘Essen’ die door lokale schaapskuddes werden bemest. Kuddes die overigens niet te groot mochten worden, om een mestoverschot te voorkomen. En waar regels golden om voor elke gehakte boom in het ‘hakhoutbosje’ drie nieuwe terug te plaatsen. Veehouderij en akkerbouw met elkaar verbonden. Drentse kringloop in optima forma.

Grond in particulier bezit
Die lokale kringloop-gedachte werd bewaakt door de Drentse Boermarken, maar raakte in de loop der tijd steeds verder uit beeld. Dat begon met de Fransen, die aan het begin van de 19e eeuw de gronden in bezit brachten van overheden en particulieren. Zij verkochten het op hun beurt deels door aan uiteenlopende landelijke natuurorganisaties. ‘Het beheer van een groeiend deel van de gronden kwam in handen van mensen en organisaties die er zelf niet woonden of niet per se vanuit een collectief lokaal belang dachten. En dat is verre van ideaal,’ concludeert Albert.

Efficiency voorop
Albert ziet nog een andere ontwikkeling waardoor de kringloop-gedachte verder uit beeld raakte. Door de bevolkingsgroei na de oorlog richtte de overheid al haar aandacht op meer efficiency in de landbouw: hogere opbrengsten per vierkante meter tegen zo min mogelijk kosten. ‘En dat lukte, maar wel met meer gif, minder leefruimte voor de dieren en meer medicijnen. Ik heb dat allemaal meegemaakt. Boeren zijn ondernemers en dus altijd gericht op kostenbesparing en productiemaximalisatie. De prijs voor restproducten van soja, maïs en andere granen (gebruikt als basis voor veevoer) van buiten Drenthe daalde zo hard (door de hoge productie en dalende kosten voor transport). Dan is de keuze snel gemaakt. Het levert direct geld op. Maar het heeft niets meer te maken met de lokale kringloop.’

We zijn verwend met heel goedkoop voedsel
‘We hebben elkaar na de oorlog enorm verwend met heel goedkoop en goed voedsel. Fantastisch. Een groot succes. Maar het tij is nu gekeerd, andere waarden worden belangrijker, en we ontdekken dat mensen vrij lastig zijn te verleiden tot de aanschaf van duurder voedsel die wèl bijdraagt aan de kringloop-gedachte en aan duurzaamheid. Die transitie is weerbarstig. Gelukkig zien we steeds meer mensen met voldoende kennis van duurzaam geproduceerd voedsel, die ook bereid zijn om daar wat meer voor te betalen. Consumenten die zelf iets willen, zijn altijd beter dan een overheid die gaat drammen.’

Begin en eindig ‘lokaal’
Albert benadrukt het belang om landbouw en natuurbeheer veel sterker met elkaar te verbinden. Ze hangen sterk met elkaar samen, zitten elkaar soms in de weg, maar kunnen elkaar ook versterken. Maar per dorp kan die balans tussen natuur en landbouw verschillen. En daar moet je volgens Albert een diepgeworteld lokaal gevoel voor ontwikkelen. ‘Dat lukt echt niet vanuit Amsterdam driehoog achter, waar al die landelijke kantoren van de natuurbeheerorganisaties zitten.’ Een groot kritiekpunt is dat lokale organisaties, laat staan inwoners, nauwelijks worden betrokken bij de planvorming. ‘In mijn ogen onverstandig, gezien de noodzakelijke samenwerking in de uitvoering. Je moet beginnen en eindigen bij de lokale gemeenschap voor het beste resultaat,’ aldus Albert.

Negatieve beeldvorming
‘De beeldvorming van de landbouw is momenteel erg negatief. Dat stoort me enorm. Het is echt onterecht. Op landelijk niveau zeggen ze dat boeren de natuur vernietigen ten gunste van de maximalisatie van de productie. Maar internationaal gezien zijn we vaak koploper en vervullen een voorbeeldfunctie. Maar toch wordt de landbouwer steeds weer de ‘nul’-optie gevraagd: geen chemische middelen, geen schending van dierenwelzijn, geen medicijnen. Dat is op dit moment gewoon niet haalbaar. Het prijskaartje wil de consument niet betalen. In plaats daarvan zouden we het veel meer moeten gaan hebben over veilige normen en de ‘mate waarin’ alls haalbaar en betaalbaar is. Zoeken dus naar een balans tussen wat we kunnen en willen betalen voor ons voedsel en de kwaliteit en omstandigheden waarin de productie plaatsvindt. Dat is een ander en veel passender uitgangspunt om de kringlooplandbouw levensvatbaar te krijgen.’

De negatieve beeldvorming zien we terug in de toenemende spanningen tussen landbouwers en mensen die weinig tot geen binding hebben met de landbouw. Zij klagen sneller over stankoverlast, lelijke schuren, te snel rijdende en te grote tractoren. Hechten meer waarde aan de natuur. Op dat punt zien we twee werelden elkaar in de weg zitten. Maar ik geloof echt dat beide verbonden kunnen worden en elkaar kunnen versterken. Ook daarin kunnen we leren van de aanpak van de Boermarke.’

Samenwerking is cruciaal
‘Dat de minister de kringloopgedachte centraal stelt is prachtig. Maar om die te vertalen naar een aanpak die op lokaal en regionaal niveau werkt, heb je een goed lokaal en regionaal netwerk nodig, zowel in de planvorming als de uitvoering, en van zowel landbouw als natuurbeheer samen. Je hebt iedereen nodig om de juiste maatregelen te treffen, gevoel voor hoe die balans lokaal in elkaar zit. Balans binnen en tussen natuur en landbouw, alsook die tussen landbouwers en niet-landbouwers. Het luistert allemaal heel nauw. Samenwerking is cruciaal. Maar o zo lastig.’

Beeld: Pixabay

Geschreven door

Arnout Ponsioen

partner ANNE - antropoloog en nieuwe media - stad & land - onderwijs & ontwikkelen

Abonneer je vandaag nog op onze nieuwsbrief